Smartengeld € 200.000, --
Bij X is bij toeval op een op 10 augustus 2007 gemaakte CT-scan een Ruimte Innemend Proces (RIP) aan de rechternier ontdekt. X is onder behandeling gekomen van de uroloog, die een afwachtend beleid heeft gevoerd. De uroloog heeft op 12 december 2007, 2 juli 2008, 21 april 2009 en 10 februari 2010 CT-scans van de nier laten maken. Hij heeft X op 23 februari 2010 ontslagen uit de behandeling. In mei 2013 meldde X zich via de huisarts opnieuw bij het ziekenhuis met pijnklachten, waarna door de opvolger van de uroloog de diagnose gemetastaseerd renaalcelcarcinoom (tumor met uitzaaiingen) werd gesteld. X was toen 49 jaar oud.
Medirisk heeft namens het ziekenhuis aansprakelijkheid erkend voor een verwijtbaar delay in de diagnose vanaf 2 juli 2008. Door het delay is de overlevingskans van X van 92% (juli 2008) gedaald naar 13% (juni 2013). Zij is op 4 augustus 2014 overleden. Verzoekers, de kinderen van X, verzoeken in deelgeschil onder meer te verklaren voor recht dat Medirisk is gehouden om € 500.000 aan immateriële schadevergoeding te betalen.
De uroloog heeft gehandeld in strijd met de geldende professionele standaard, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft bij herhaling gehandeld in strijd met de geldende richtlijn om (chirurgisch) in te grijpen, en een afwachtend beleid gevolgd. Evenmin heeft de uroloog een biopt laten uitvoeren. In het bijzonder valt de uroloog te verwijten dat hij X zonder een second opinion van een collega heeft ontslagen uit de behandeling. Met dat ontslag was ook van de door hem voorgestane expectatieve behandeling geen sprake meer; niemand hield immers het RIP meer in het oog. Het ernstig verwijtbaar medisch handelen heeft geleid tot een delay van ongeveer vijf jaar waardoor de aanvankelijke reële kans op overleving van X, die verder geen gezondheidsklachten had, verloren is gegaan. Dit heeft geresulteerd in een lijdensweg van dertien maanden waarin X werd geconfronteerd met veel pijn en angst, vermindering van haar waardigheid, zorgen om haar kinderen en verdriet om het afscheid dat zij van haar kinderen moest nemen, totdat zij uiteindelijk op de relatief jonge leeftijd van 50 jaar overleed. Het verwijtbaar medisch handelen heeft het rechtsgevoel van X ernstig geschokt. Het lijden met een dergelijk geschokt rechtsgevoel is in het algemeen erger dan wanneer er sprake is van een ongeluk waarvan niemand een verwijt valt te maken.
Uit de verklaring van de verzoekers blijkt dat voor X de gedachte dat zij, als gevolg van deze ernstige en herhaalde fout, ten dode was opgeschreven, terwijl ze midden in het leven stond en anderen van haar afhankelijk waren, ondraaglijk was. Ook de korte tijdsspanne die ze na de diagnose had om orde op zaken te stellen heeft aan haar lijden bijgedragen. Het letsel en het leed wordt aangemerkt als letsel van de zwaarste categorie. Een smartengeld van € 200.000 wordt billijk geacht. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 23 februari 2010, het moment waarop de uroloog X heeft ontslagen uit de behandeling.
Bron: nieuwsbrief Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk
