Schatvinding in de Provincie.

Mevr. X ging in mei 2019 verhuizen naar een mooie bungalow in het Almelose. Ze verheugde zich op haar nieuwe stek en gaf opdracht aan de aannemer en de tuinman om haar tuin geheel klaar te maken voor bewoning. Het geheel kostte wat tijd totdat ze op vakantie ineens een telefoontje kreeg van een medewerker van de aannemer die aan het werk was voor de tuinman in haar tuin, die aan haar vroeg of ze ook geld had gevonden in de tuin. Wat bleek. Er was bij graafwerkzaamheden een plastic doos boven water gekomen met maar liefst    € 44.900, — erin. Waarschijnlijk met de graafmachine opgegraven in haar tuin. Als schatvindster had ze dus recht op die € 44.900, —  zegt dan het Burger Wetboek. Dat was boffen. “schatvinding” heeft de wetgever dat genoemd en dat geeft de vinder een recht op vindersloon. Dit soort wetsartikelen waren vlak na de oorlog nodig omdat vele mensen in hun tuinen schatten aantroffen, die daar voor de oorlog in de grond waren verstopt.

Echter toen begon de ellende. De aannemer claimde een vindersloon van maar liefst € 13.400, — hetgeen in geen verhouding stond met het graafwerk van zijn werknemer. Daarnaast meldde zich de buurman die de eigendom van het zwarte geld € 50.000 claimde. Hij zou de rechthebbende eigenaar zijn. Maar er kwam maar € 44.900, — uit de grond. Bij de Gemeente Almelo werd ter sauvering het geldbedrag gestort totdat het eigendomsgeschil was opgelost. Tussen partijen werd enige maanden gestoeid van wie nu dat geld was en uiteindelijk werd het geld doorbetaald aan de buurman van de schatvindster onder betaling van een vindersloon. Geschil opgelost en een boze buurman erbij.

Terug naar overzicht